Siegburg (ca. 1400–1550)

Vanaf het begin van de vijftiende eeuw groeide Siegburg, ten zuidoosten van Keulen, uit tot het belangrijkste productiecentrum van het Rijnlandse steengoed. Het succes was vooral te danken aan de bijzondere klei die in de omgeving werd gewonnen. Deze was zeer fijnkorrelig, ijzerarm en rijk aan kaoliniet, een kleimineraal dat ook een belangrijk bestanddeel van porselein vormt. Daardoor bakte het steengoed veel lichter uit dan het grijze Rijnlandse steengoed uit eerdere eeuwen. Omdat de klei van nature zo zuiver was, hoefden de pottenbakkers geen ijzerhoudende engobe aan te brengen om een fraaie lichte kleur te verkrijgen.

In combinatie met een uitstekende beheersing van de baktechniek ontstond steengoed van een uitzonderlijke kwaliteit. Via de Rijn vonden kannen, bekers en drinkschalen hun weg naar handelssteden in de Nederlanden, Engeland en Scandinavië. Eeuwenlang gold Siegburg als hét voorbeeld van hoogwaardig Rijnlands steengoed en oefende het grote invloed uit op latere productiecentra zoals Raeren, Frechen en Westerwald.

Op deze pagina volgen we de ontwikkeling van het Siegburgse steengoed aan de hand van voorwerpen en scherven uit mijn eigen verzameling.


Het begin van het Siegburgse steengoed (ca. 1350–1450)


De vroegste producten uit Siegburg zijn nog eenvoudig van vorm en nauwelijks versierd. De aandacht van de pottenbakker lag vooral bij het vervaardigen van technisch hoogwaardig steengoed. De voorwerpen zijn dunwandig, licht van kleur en voorzien van een wellenvoet en horizontale draairibbels.


Bolle kan (ca. 1350–1425)

Deze bolle kan behoort waarschijnlijk tot de eerste generatie Siegburgs steengoed. Hoewel de scherf al volledig is gesinterd en daardoor hard en waterdicht is, oogt hij nog anders dan het latere, vrijwel witte Siegburgse steengoed.

Op het breukvlak is de lichtgrijze, fijn gesinterde scherf goed zichtbaar. De buitenzijde heeft daarentegen een warme bruinrode verkleuring. Die is niet door de pottenbakker aangebracht, maar ontstond tijdens het bakken in de houtoven. Fijne deeltjes ijzerhoudende houtas dwarrelden door de oven en sloegen plaatselijk neer op het gloeiend hete oppervlak. Daardoor ontstonden de karakteristieke roodbruine asvlammen, die kenmerkend zijn voor het vroegste Siegburgse steengoed.

De eenvoudige, eivormige buik, de duidelijke draairibbels en de diep geknepen wellenvoet passen goed bij deze vroege fase van de Siegburgse productie. In de loop van de vijftiende eeuw werden de vormen geleidelijk slanker en verfijnder, terwijl het steengoed door verdere verbeteringen van de baktechniek steeds lichter en witter van kleur werd.


Drinkschaal op standvoet (ca. 1400–1450)

Bovenzijde (links) en onderzijde (rechts) van dezelfde drinkschaal op standvoet.

Deze scherf is afkomstig van een drinkschaal op standvoet, een van de meest karakteristieke vormen van het vroege Siegburgse steengoed. Dit type wordt ook wel een klingelhart genoemd. Dergelijke ondiepe schalen waren vooral in de eerste helft van de vijftiende eeuw populair als drinkgerei tijdens de maaltijd.

De belangrijkste kenmerken zijn goed zichtbaar. Op de eerste foto is de binnenzijde met fijne draaisporen te zien. De tweede foto toont de holle standvoet, die de schaal een stabiele basis gaf zonder haar onnodig zwaar te maken.

Langs de rand bevindt zich een warme roodbruine asvlam, die ook wel een blos wordt genoemd.


Waarom deze opvallende vorm?

Voor ons lijkt deze brede, ondiepe drinkschaal erg onpraktisch. Toch was dit type in de late veertiende en vroege vijftiende eeuw een geliefde vorm van drinkgerei. Men dronk er vooral bier of wijn uit.

De vorm sloot waarschijnlijk aan bij een veel oudere traditie. Al eeuwen vóór de opkomst van het Rijnlandse steengoed gebruikte men in West-Europa houten, metalen en aardewerken drinkschalen of napjes. De pottenbakkers van Siegburg namen deze vertrouwde vorm over. Door de brede vorm lag het voor de hand de schaal met beide handen vast te houden.

In de loop van de vijftiende eeuw veranderden de drinkgewoonten geleidelijk. Bekers en slanke kannen werden steeds populairder en verdrongen de brede drinkschalen. Juist daardoor behoren deze vroege klingelharten tegenwoordig tot de meest herkenbare vormen van het oudste Siegburgse steengoed.


Hoewel de vorm van deze drinkschalen grotendeels gelijk bleef, bestonden er duidelijke verschillen in uitvoering. De twee fragmenten hieronder laten dat goed zien. Beide zijn afkomstig van vroege Siegburgse drinkschalen op standvoet, maar vertegenwoordigen waarschijnlijk verschillende fasen binnen de ontwikkeling van dit type.

Het oudste (grootste) fragment heeft een relatief zware, breed uitgeknepen standvoet en een dikke wand. Zulke robuuste exemplaren worden doorgaans in de late veertiende of zeer vroege vijftiende eeuw geplaatst. Het tweede fragment is iets verfijnder uitgevoerd. De wand is dunner, de standring regelmatiger afgewerkt en de vorm oogt eleganter. Dat past beter bij de eerste helft van de vijftiende eeuw.

Siegburgse drinkbeker ( ca. 1475–1524)

Siegburgse drinkbeker, ca. 1475–1525.,Collectie Slot Loevestein, objextnr. GL01178C


Terwijl de traditionele drinkschalen geleidelijk uit beeld verdwenen, werden drinkbekers steeds populairder. Ze waren gemakkelijker vast te houden, minder kwetsbaar voor morsen en sloten aan bij de veranderende drinkgewoonten van de vijftiende eeuw.

Een goed voorbeeld daarvan is de bovenstaande Siegburgse drinkbeker uit Slot Loevestein.


Waarschijnlijk een Jakobakan (Siegburg, ca. 1400–1450)

                                 Eigen scherf,                                                        Jacobakan, Siegburg, Rijksmuseum, objectnr. BK-NM-1480

Op het eerste gezicht zou dit fragment afkomstig kunnen lijken van een hoge drinkbeker. De vorm vertelt echter een ander verhaal. De romp loopt naar boven geleidelijk taps toe, terwijl de bekende Siegburgse bekers uit de vijftiende eeuw juist recht blijven of naar de drinkrand toe wijder uitlopen. Een dergelijke versmalling past veel beter bij een schenkkan, waarvan boven de romp nog een hals moet hebben gezeten.

De romp begint al vrij direct boven de gegolfde standvoet breder te worden. Hoewel veel Jakobakannen eerst nog iets verder naar binnen buigen voordat de buik zich ontwikkelt, bestaan er ook vroege exemplaren waarbij de buik vrijwel direct boven de voet begint. Zoals bij veel middeleeuws aardewerk ontwikkelden ook de Siegburgse pottenbakkers hun modellen voortdurend. Daardoor komen Jakobakannen in verschillende proporties voor en is niet iedere kan precies gelijk van vorm.

Vergelijking met de archeologische typologieën van Beckmann, Hurst en Gaimster laat zien dat de combinatie van de gegolfde wellenvoet, de fijne draairibbels, de slanke geribde romp en het geleidelijk taps toelopende profiel het beste aansluit bij een vroege Jakobakan of een nauw verwante slanke Siegburgse kan uit de eerste helft van de vijftiende eeuw.


De Jacobakan: een hardnekkig (en sappig) misverstand

Jacoba van Beieren (1401-1436), Rijksmuseum, objectnr. SK-A-498

De naam Jacobakan heeft niets met Siegburg te maken, maar is het resultaat van een zeventiende-eeuwse volkslegende.

Toen men in de Gouden Eeuw de modderige slotgracht van Slot Teylingen uitbaggerde, kwamen honderden vrijwel onbeschadigde steengoedkannen tevoorschijn. Omdat bekend was dat gravin Jacoba van Beieren daar haar laatste levensjaren had doorgebracht, liet de verklaring niet lang op zich wachten.

Al snel deden de prachtigste verhalen de ronde. Volgens sommigen had Jacoba de kannen tijdens haar gedwongen verblijf zelf uit klei geboetseerd om de tijd te doden. Anderen beweerden dat zij graag (en veel) uit deze kannen dronk en de lege exemplaren daarna zonder pardon in de slotgracht wierp. Hoe meer kannen men vond, hoe geloofwaardiger het verhaal werd.

Historisch onderzoek wees later uit dat de kannen afkomstig waren uit de Duitse pottenbakkerscentra rond Siegburg. Toch bleef de naam Jacobakan bestaan.

De Jacobakan ontstond al in de vroege vijftiende eeuw, maar werd vooral in de tweede helft van die eeuw populair. Daarmee vormt hij een mooie overgang naar de volgende ontwikkelingsfase van het Siegburgse steengoed.


En soms weet je het gewoon (nog) niet …

Deze scherf is zonder twijfel afkomstig van Siegburgs steengoed uit de eerste helft van de vijftiende eeuw. Dat is te zien aan verschillende kenmerken:

  • de zeer harde, lichtgrijze scherf;
  • de karakteristieke gegolfde wellenvoet;
  • de fijne horizontale draairibbels;
  • de roodbruine asvlammen die tijdens het bakken in de houtoven zijn ontstaan.

Maar vervolgens begint het echte speurwerk.

Direct boven de wellenvoet maakt de wand een opvallend scherpe knik. Juist dat detail heb ik, ondanks vergelijking met de gebruikelijke typologieën en museumcollecties van Siegburgs steengoed, nog niet overtuigend teruggevonden. De bekende bekers, Jacobakannen en andere kannen vertonen meestal een vloeiender overgang.

Dat betekent overigens niet dat dit fragment uitzonderlijk of 'verkeerd' is. Middeleeuwse pottenbakkers werkten met de hand en produceerden veel meer vormvarianten dan in de handboeken zijn afgebeeld. Bovendien zijn lang niet alle vondsten ooit gepubliceerd.

Herkent u deze vorm?
Heeft u een vergelijkbaar exemplaar gezien in een publicatie, museumcollectie of op een opgraving?
Dan hoor ik dat graag.


Wandscherf met bloemmedaillon (Siegburg, ca. 1450–1500)

Deze wandscherf is afkomstig van de buik van een steengoedkan uit Siegburg. Zij behoort tot een overgangsfase in de tweede helft van de vijftiende eeuw, waarin de pottenbakkers hun voorwerpen steeds vaker begonnen te verfraaien met kleine, opgelegde reliëfs. Daarmee vormt deze scherf een mooie schakel tussen het eenvoudige, vroegere Siegburgse steengoed en de rijk versierde producten uit de zestiende eeuw.

Het opgelegde medaillon

Centraal op de scherf bevindt zich een klein rond reliëfmedaillon. De voorstelling toont een kleine vaas of kelk waaruit drie bloemstelen of takken ontspruiten. Hoewel het motief door slijtage niet meer volledig scherp is, is de opbouw nog goed herkenbaar.

Het medaillon werd niet rechtstreeks op de kan gevormd. Eerst drukte de pottenbakker een stukje zachte klei in een matrijs. Daarna werd het reliëf met vloeibare klei (slik) op de nog ongebakken kan bevestigd. Op de zijkant van de scherf is nog goed te zien dat het medaillon als een afzonderlijk element op de wand ligt.

Waarom een datering rond 1450–1500?

De datering is gebaseerd op een combinatie van kenmerken en niet op het bloemmotief alleen. De fijne, lichtgrijze scherf, de karakteristieke asvlam, het ontbreken van een zware zoutglazuurlaag en het kleine ronde reliëfmedaillon passen goed binnen de vroege Siegburgse groep die in de standaardliteratuur wordt onderscheiden voor de periode ca. 1400–1500. Pas vanaf circa 1500 verschijnen steeds vaker volledig zoutgeglazuurde voorwerpen met grotere en rijkere renaissancepanelen.