Romeins aardewerk
Ongeveer tweeduizend jaar geleden verschenen de Romeinen in onze streken. Zij brachten hoogstaand keramiek, vakmanschap én een veel verder ontwikkelde manier van aardewerk maken met zich mee. De pottenbakkers gebruikten zorgvuldig gezuiverde klei en bakten die in goed geconstrueerde ovens. Daardoor konden zij aardewerk van een veel constantere kwaliteit produceren dan voorheen.
De Romeinen maakten zowel eenvoudig gebruiksaardewerk als luxe tafelgoed, zoals terra sigillata, het bekende rood glanzende servies. De productie vond plaats in grote pottenbakkerscentra verspreid over het Romeinse Rijk. Via een uitgebreid netwerk van wegen en rivieren werd het aardewerk vervolgens verhandeld.
Op deze pagina maak je kennis met drie belangrijke groepen Romeins aardewerk: gebruiksaardewerk, dunwandig aardewerk en terra sigillata.
Het grootste deel van het Romeinse aardewerk was bedoeld voor het dagelijks leven. Potten, kruiken en voorraadvaten werden gebruikt om water, wijn, olie en voedsel te bewaren, te vervoeren en uit te schenken. Van dit gebruiksaardewerk worden dan ook de meeste scherven teruggevonden.
De wanden van deze gebruiksvoorwerpen zijn dikker en robuuster dan die van het luxe tafelgoed. Meestal gebruikten de pottenbakkers sterk gezuiverde klei, waaraan soms zand of fijn gemalen aardewerk werd toegevoegd. Hierdoor werd de klei steviger en was de kans op scheuren tijdens het bakken kleiner.
Dankzij de snel draaiende pottenbakkersschijf en goed gebouwde ovens konden grote aantallen gebruiksvoorwerpen van een gelijkmatige kwaliteit worden gemaakt. Het aardewerk werd meestal gebakken bij een temperatuur van ongeveer 900 °C. Daardoor bleef het aardewerk enigszins poreus. Bij waterkruiken was dat zelfs een voordeel. Een kleine hoeveelheid water verdampte door de wand, waardoor de inhoud vanzelf iets afkoelde.
Veel van dit aardewerk werd lokaal of regionaal geproduceerd, bijvoorbeeld in pottenbakkerijen langs de Rijn, waaronder die in de omgeving van Nijmegen en Keulen.
De afgebeelde scherven zijn gevonden in de verdronken stad Reimerswaal.
Deze scherf lijkt misschien eenvoudig, maar behoort tot het verfijndste Romeinse gebruiksaardewerk. De wand is op sommige plaatsen nauwelijks twee millimeter dik. Om zulke dunne vormen te kunnen maken, gebruikten de pottenbakkers zeer zorgvuldig gezuiverde, kalkrijke en ijzerarme klei. Daardoor kreeg het aardewerk na het bakken zijn karakteristieke licht crèmekleurige uiterlijk.
Na het vormen werd het oppervlak zorgvuldig afgewerkt en gepolijst met een vochtige hand, een doek of een stuk leer. Hierdoor kreeg het aardewerk een zachte glans en nam het weinig vocht op.
Het aardewerk werd vervolgens gebakken bij een temperatuur van ongeveer 900 tot 1050 °C. Dit gebeurde in een oven waarin voldoende zuurstof aanwezig was (oxiderend bakken). Daardoor behield het zijn lichte kleur.
Dunwandig aardewerk werd vooral gebruikt voor drinkbekers en kleine schaaltjes voor het serveren van voedsel en drank. Het was verfijnder en kostbaarder dan het gewone gebruiksaardewerk, maar minder exclusief dan het rood glanzende terra sigillata. Daarmee vormt het een mooie middenklasse tussen het alledaagse aardewerk en het luxe tafelgoed van de Romeinse elite.
Dit type aardewerk werd onder meer geproduceerd in het Rijnland, bijvoorbeeld in de omgeving van Keulen, maar ook in andere delen van het Romeinse Rijk.
Deze scherf is gevonden in de verdronken stad Reimerswaal.
Terra sigillata, letterlijk "gestempelde aarde", was het luxe tafelgoed van de Romeinse wereld. Dit rood glanzende aardewerk werd vanaf het begin van onze jaartelling vervaardigd in gespecialiseerde pottenbakkerscentra in Gallië en later ook in het Rijnland. Schalen, kommen en bekers van terra sigillata waren van uitzonderlijk hoge kwaliteit en behoren tot het mooiste aardewerk dat de Romeinen produceerden.
De roodglanzende deklaag
Terra sigillata werd gemaakt van zorgvuldig gezuiverde, ijzerrijke klei. Voordat het aardewerk werd gebakken, dompelde de pottenbakker het onder in een dunne vloeibare kleislib, ook wel engobe genoemd. Deze bestond uit de allerfijnste kleideeltjes.
Tijdens het zorgvuldig gecontroleerde bakproces sinterde deze deklaag tot een glad, licht glanzend en vrijwel niet-poreus oppervlak. Daardoor was het aardewerk beter bestand tegen vocht en gemakkelijker schoon te houden. Anders dan vaak wordt gedacht, is deze roodglanzende deklaag dus geen glazuur.
Mallen en stempels
De reliëfdecoraties werden niet met de hand geboetseerd, maar aangebracht met behulp van aardewerken mallen. Daardoor konden pottenbakkers grote aantallen vrijwel identieke schalen en kommen maken, steeds met een scherpe en gelijkmatige decoratie.
Veel pottenbakkers voorzagen hun werk bovendien van een naamstempel (sigillum), meestal in de bodem van het voorwerp. Aan deze stempels kunnen archeologen vaak achterhalen waar en soms zelfs door welke pottenbakker een voorwerp is gemaakt.
Terra sigillata behoort tot de vroegste voorbeelden van grootschalige, gestandaardiseerde productie van hoogwaardig keramiek in de Oudheid.
Deze scherven zijn gevonden in het Duitse Rijnland.
Terra sigillata schaal met jachtscène (Dragendorff 29), ca. 70–85 n.Chr.

Dit fragment is afkomstig van een schaal uit Zuid-Gallië, waarschijnlijk vervaardigd in La Graufesenque, destijds het belangrijkste productiecentrum voor terra sigillata.
De decoratie toont een jachtscène met links een hond die een (klein) wild zwijn achtervolgt en rechts een groot wild zwijn, omlijst door gestileerde plantenranken. Voor de Romeinen verwees de jacht niet alleen naar 'vlees op tafel,' maar ook naar moed, status en beheersing van de natuur. De versiering is aangebracht met behulp van een mal. De wanddikte bedraagt ca. 10 mm.
Let op de scherpe knik direct onder de decoratie. Dit profiel is kenmerkend voor het type
Dragendorff 29, een relatief ondiepe schaal die vooral tussen circa 70 en 85 na Christus werd gemaakt.
Dit fragment behoort tot een latere generatie terra sigillata en werd waarschijnlijk vervaardigd in Lezoux, een belangrijk productiecentrum in Midden-Gallië.
De decoratie bestaat uit medaillons met kleine putti, gevleugelde kinderfiguurtjes uit de klassieke mythologie. Ze worden in verband gebracht met wijn, overvloed en feestelijkheid. De medaillons worden aan de bovenzijde begrensd door een ovolo of eierlijst, een karakteristiek ornament van de diepere Dragendorff 37-kommen. Onderaan is nog een deel van een masker zichtbaar.
Vergeleken met de eerdere Dragendorff 29 is de compositie regelmatiger opgebouwd. De levendige jachtscène heeft plaatsgemaakt voor een ritmische herhaling. Met een wanddikte van circa 5 mm is dit exemplaar aanzienlijk dunner. Ook de structuur is fijner en homogener. De kleur is lichter en herlderder rood.
Tip
De archeologische werkgroep Leen de Keijzer uit Houten gaf in 2013 de fraaie expofolder Terra Sigillata – Het Wedgwood van de Romeinen uit. Klik op de ster om de PDF-folder te openen.
Wat mij altijd weer intrigeert, is het enorme verschil tussen dit verfijnde Romeinse aardewerk en het veel grovere aardewerk uit de vroege Middeleeuwen. Was de kennis van de Romeinse pottenbakkers werkelijk verloren gegaan? Het lijkt bijna alsof het vak opnieuw moest worden uitgevonden.
Benieuwd hoe dat zit? Klik op het rondje en ontdek het verhaal achter de ondergang van het Romeinse aardewerk.









