Rijnlands steengoed


Rijnlands protosteengoed (ca. 1250–1375 n.Chr.)

Proto-steengoed kan, 1225-1275, Provinciaal Archeologisch Depot provincie Zuid-Holland, inv. nr. 32696

Na het Pingsdorf-aardewerk bleven de pottenbakkers in het Rijnland hun techniek verbeteren. Door betere ovens, zorgvuldiger geselecteerde klei en steeds hogere baktemperaturen ontstond vanaf het midden van de dertiende eeuw een nieuw type keramiek dat tegenwoordig protosteengoed wordt genoemd. Het vormt de overgang tussen het Pingsdorf-aardewerk en het volledig gesinterde Rijnlandse steengoed dat vanaf ongeveer 1375 zou uitgroeien tot een van de belangrijkste exportproducten van middeleeuws Europa.


Het geheim van het 'verstenen'

De Rijnlandse pottenbakkers leerden hun ovens steeds beter beheersen en bereikten temperaturen van ongeveer 1100 tot 1200 °C.

Bij deze hoge temperaturen begonnen de kleideeltjes gedeeltelijk met elkaar te versmelten. Dit proces heet sinteren. Daardoor veranderde de poreuze klei in een uitzonderlijk harde, compacte scherf die nauwelijks nog vocht opnam en veel sterker was dan het Pingsdorf-aardewerk. Protosteengoed was nog niet volledig waterdicht, maar betekende wel een enorme technische vooruitgang.


Waarom juist het Rijnland?

Deze ontwikkeling kon juist in het Rijnland plaatsvinden dankzij een bijzondere combinatie van natuurlijke en economische omstandigheden.

Geschikte klei:

Het gebied beschikte over zeer zuivere, ijzerarme kleisoorten die bestand waren tegen uitzonderlijk hoge baktemperaturen zonder te vervormen.

Veel brandhout:

Het langdurig opstoken van grote ovens vergde enorme hoeveelheden hout. De uitgestrekte bossen in het Rijnland leverden daarvoor de benodigde brandstof.

De Rijn als handelsweg:

Via de Rijn konden de potten gemakkelijk worden vervoerd naar de Lage Landen, Engeland, Scandinavië en andere delen van Noordwest-Europa. Ook in Nederland behoren Rijnlandse steengoedscherven tot de meest gevonden middeleeuwse importkeramiek.



Mijn scherf. Vroeg Rijnlands steengoed (waarschijnlijk ca. 1350 n.Chr.)


De donkerbruine sliblaag

Voordat deze pot werd gebakken, bracht de pottenbakker een dunne laag ijzerrijke kleislib (engobe) op het oppervlak aan. Waarschijnlijk werd de pot daarbij geheel of gedeeltelijk in deze vloeibare klei gedompeld. Tijdens het bakken kreeg deze laag zijn karakteristieke donkerbruine tot paarsbruine kleur en een zachte metaalachtige glans.

Op deze scherf is die sliblaag plaatselijk nog duidelijk zichtbaar, terwijl zij op andere plaatsen door eeuwenlange slijtage is verdwenen.

De kern

Onder de donkerbruine engobe heeft deze scherf een vrijwel egale lichtgrijze kleur: de klei werd harder gebakken, homogener en steeds verder gesinterd.

De wellenvoet

Aan de onderzijde zien we de karakteristieke wellenvoet. De pottenbakker kneep de standring tijdens het draaien op enkele plaatsen licht naar binnen, waardoor een golvende voet ontstond. Deze vorm gaf de pot een stabiele stand tijdens het drogen en bakken en is een belangrijk herkenningskenmerk van vroeg Rijnlands protosteengoed.


Het volgroeide Rijnlandse steengoed (vanaf ca. 1375 n.Chr.)

Kruik met draairingen,  Raeren, ca. 1500 - ca. 1530, Rijksmuseum, objectnr. BK-NM-1469


Na eeuwen van technische ontwikkeling bereikten de Rijnlandse pottenbakkers aan het einde van de veertiende eeuw een nieuw technisch hoogtepunt. Daarmee lag de experimentele fase van het protosteengoed grotendeels achter hen. Dankzij voortdurende verbeteringen in ovenbouw en baktechniek konden de ovens nu langdurig nog hogere temperaturen bereiken: van ongeveer 1200 tot 1300 °C bereiken.

Dit steengoed was uitzonderlijk hard, vrijwel vloeistofdicht en veel sterker dan het aardewerk dat eraan voorafging. Niet voor niets kreeg het de naam 'steengoed': zo hard als steen.



Waarom was dit steengoed zo bijzonder?

Gesinterd tot steengoed

Het geheim van steengoed zit in de klei zelf. Door de hoge baktemperatuur versmolten de kleideeltjes grotendeels met elkaar. Dit proces heet sinteren. De scherf werd daardoor uitzonderlijk hard, compact en vrijwel vloeistofdicht. Anders dan bij gewoon aardewerk was daarvoor geen glazuur nodig.

Zoutglazuur

In de vijftiende eeuw ontdekten de Rijnlandse pottenbakkers een nieuwe techniek: het zoutglazuur. Tijdens het heetste deel van het bakproces wierpen zij keukenzout in de oven. Het natrium uit het zout reageerde met het kwarts (silica) in de gloeiend hete klei, waardoor een flinterdunne glaslaag ontstond. Deze gaf het steengoed zijn karakteristieke, licht bobbelige oppervlak – vaak vergeleken met de schil van een sinaasappel – en maakte het nog beter bestand tegen vocht en slijtage.

Sterk en duurzaam

Rijnlands steengoed nam nauwelijks vocht, geuren of smaken op en was bovendien goed bestand tegen zure vloeistoffen. Daardoor was het ideaal voor het bewaren, vervoeren en schenken van bier, wijn, olie, azijn en andere handelswaren. Veel kruiken en kannen bleven jarenlang in gebruik.

Een Europees succes

Dankzij de uitstekende kwaliteit groeide het Rijnlandse steengoed uit tot het belangrijkste gebruikskeramiek van de late middeleeuwen en de renaissance. Grote productiecentra zoals Siegburg, Raeren, Frechen, Keulen en later Westerwald exporteerden hun producten naar vrijwel heel Noordwest-Europa. Archeologen vinden deze kruiken en kannen dan ook nog altijd in grote aantallen terug.


Scherf van een vergelijkbare kan uit mijn eigen verzameling.

Waarom werd er (meestal) niet in steengoed gekookt?

Dat lijkt misschien vreemd, want steengoed is veel harder dan gewoon aardewerk. Toch werden de meeste Rijnlandse steengoedkruiken niet gebruikt als kookpot.

De belangrijkste reden daardvoor is de 'thermische schok' : Steengoed is uitzonderlijk hard en dicht, maar juist daardoor ook relatief stijf. Wanneer een lege steengoedpot direct boven het vuur wordt gezet, kan de onderkant in korte tijd veel heter worden dan de bovenkant. Daardoor ontstaan spanningen in de wand. Vooral vroeg steengoed kan daardoor barsten of zelfs breken.

Gewoon aardewerk is poreuzer en minder dicht. Dat zet iets gemakkelijker uit en werd daarom juist vaak gebruikt als kookpot.

De Rijnlandse steengoedkruiken waren helemaal niet ontworpen om in te koken. Ze waren bedoeld voor het bewaren, vervoeren en schenken van bier, wijn, water en andere vloeistoffen. Door hun smalle hals waren ze daarvoor ideaal. Een kookpot heeft juist een brede opening zodat je kunt roeren en de inhoud gemakkelijk kunt bereiken.

Dat betekent niet dat er nooit in steengoed werd gekookt. In de late middeleeuwen en de vroegmoderne tijd werden ook speciale steengoed kookpotten vervaardigd. Deze latere steengoed kookpotten hadden vaak een andere vorm (bredere opening, dikkere of juist anders gevormde wand) en werden geleidelijk verwarmd. Daarnaast speelde ook de kwaliteit van het steengoed een rol.