Meer lezen over Portugese faience:
De witte tinglazuurtechniek die aan de basis ligt van de Portugese faience vond haar oorsprong in de islamitische wereld. Via Al-Andalus, het islamitische Spanje, bereikte deze techniek Italië, waar vanaf de vijftiende eeuw verfijnd tinglazuuraardewerk werd geproduceerd in centra als Faenza, Deruta, Urbino en Montelupo. Deze Italiaanse majolica werd in heel Europa bewonderd en vormde een belangrijke inspiratiebron voor latere Europese tinglazuurtradities.
Ook Portugal kende al vóór het ontstaan van de beroemde blauw-witte faience een bescheiden productie van tingeglazuurd aardewerk. Dit vroege aardewerk was meestal eenvoudig uitgevoerd en soms slechts voorzien van korte opschriften of gebruiksaanduidingen, bijvoorbeeld voor ziekenhuizen of apotheken.
Een belangrijke impuls kwam in de tweede helft van de zestiende eeuw met de komst van Vlaamse pottenbakkers uit Antwerpen. Hun migratie hield waarschijnlijk verband met de politieke en economische onrust in de Nederlanden tijdens de Tachtigjarige Oorlog en de val van Antwerpen in 1585. Antwerpen was op dat moment een van de belangrijkste productiecentra van majolica in Noord-Europa. De Vlaamse vaklieden brachten nieuwe technische kennis, decoratieve ideeën en ervaring met grotere werkplaatsen mee. Zij introduceerden het tinglazuur niet in Portugal — dat bestond daar al — maar droegen waarschijnlijk wel bij aan de verdere ontwikkeling en professionalisering van de Portugese productie.
De beroemde blauw-witte Portugese faience kreeg haar karakteristieke vorm toen grote hoeveelheden Chinees porselein Portugal bereikten. In de zestiende en zeventiende eeuw was Lissabon een van de belangrijkste Europese toegangspoorten voor Chinees porselein. Vooral het blauw-witte Wanli- en kraakporselein uit de late Ming-dynastie maakte diepe indruk op Europese verzamelaars en handelaren.
Omdat dit porselein kostbaar en schaars was, gingen Portugese pottenbakkers op zoek naar een betaalbaar alternatief. Daarbij combineerden zij een techniek die uiteindelijk afkomstig was uit de islamitische wereld, kennis uit de Italiaanse en Vlaamse majolicatraditie en decoratieve inspiratie uit China. Juist deze bijzondere combinatie van invloeden leidde tot een van de meest karakteristieke keramische tradities van het zeventiende-eeuwse Europa.
Net als ander tinglazuuraardewerk werd Portugese faience tijdens het bakken beschermd in aardewerken kokers (saggars) en met kleine driepuntige steunen, de zogenaamde proenen, van elkaar gescheiden. Op sommige Portugese objecten zijn deze proenafdrukken niet alleen zichtbaar aan de achterkant, maar ook aan de voorkant, soms midden in de beschilderde spiegel. Dit is een van de kenmerken waarop archeologen Portugese faience vaak kunnen herkennen.
Archeologisch valt op dat Portugese scherven vaak opmerkelijk goed bewaard zijn gebleven. Veel stukken hebben een compacte scherf en een sterk hechtende glazuurlaag. Mogelijk hangt dit samen met verschillen in kleisamenstelling, baktemperatuur en productiepraktijken.
Vanaf het einde van de zestiende en vooral in de eerste helft van de zeventiende eeuw bereikte Portugese faience de Republiek. Het aardewerk vormde voor welgestelde Europese consumenten een aantrekkelijk alternatief voor het schaarse en kostbare Chinese porselein. Italiaans tinglazuuraardewerk was duur en bezat niet dezelfde uitgesproken Chinese decoraties, terwijl de Nederlandse majolica meestal dikker was en haar motieven vooral ontleende aan de Italiaanse traditie. De Portugese faience sloot daardoor beter aan bij de nieuwe mode van blauw-wit Chinees porselein. De vroege Portugese objecten werden daarom als luxevoorwerpen gewaardeerd. Luxe aardewerk kon dienen als relatiegeschenk, huwelijksgeschenk of statussymbool binnen welgestelde kringen.
Een deel van de Portugese faience vond zijn weg naar Noord-Europa, waar het vooral via handels- en familiebanden terechtkwam in havensteden als Hamburg, Amsterdam en Middelburg. Opvallend genoeg wordt dit aardewerk slechts beperkt genoemd in de grote handels- en bevrachtigingsregisters. Dit suggereert dat de verspreiding voor een belangrijk deel verliep via kleinschalige handelsnetwerken en particuliere import.
Vermoedelijk bereikte een aanzienlijk deel van dit aardewerk de Republiek via de zogenoemde zouthalers. Deze zeelieden voeren op Portugal om zout te laden, met name in de baai van Setúbal. Dit zout was van groot belang voor het pekelen en conserveren van de haringvangst. Aan boord beschikten de opvarenden over een beperkte hoeveelheid eigen, belastingvrije scheepsruimte. Zeelieden gebruikten deze ruimte soms om modieuze Portugese schotels mee naar huis te nemen, als bijverdienste of geschenk.
Mijn scherven komen uit de omgeving van De Rijp. Mogelijk zijn deze daar terechtgekomen via dergelijke zeelieden uit West-Friese havensteden als Hoorn, Medemblik of Enkhuizen.
Niet alleen in deze kuststeden, maar ook in Amsterdam is relatief veel Portugese faience gevonden. Dat hangt deels samen met de reguliere scheepvaart, maar waarschijnlijk ook met de aanwezigheid van Portugese Joden die zich daar vanaf het einde van de zestiende eeuw vestigden. Sefardische kooplieden onderhielden nauwe familie- en handelscontacten met Lissabon, importeerden Portugese faience en lieten soms zelfs gepersonaliseerde objecten vervaardigen, bijvoorbeeld als huwelijksgeschenk.
Ook Middelburg onderhield intensieve handelscontacten met Portugal, onder meer voor de import van zout en wijn. Bovendien vestigde zich ook hier al vroeg een Portugees-Joodse gemeenschap met handels- en familiebanden met Lissabon. Zowel in Middelburg als in Vlissingen zijn bij archeologische opgravingen fragmenten van Portugese faience gevonden. De meeste van deze voorwerpen zullen via reguliere handelscontacten en particuliere import in de Republiek zijn terechtgekomen. Sommige onderzoekers hebben echter gesuggereerd dat ook buitgemaakte Portugese of Spaanse schepen incidenteel kunnen hebben bijgedragen aan de verspreiding van dergelijke objecten in de Nederlandse kustprovincies.
Inwoners van de Republiek wilden vooral aardewerk dat zo veel mogelijk op Chinees porselein leek: dunner en verfijnder dan de meeste Nederlandse majolica uit dezelfde periode. Het Portugese tinglazuuraardewerk met Chinese motieven voldeed daaraan. Duitse en Hanze-markten waardeerden juist de vrijere en meer exotische mengvormen waarin Chinese, Europese en Iberisch-islamitische motieven samensmolten.
Na het midden van de zeventiende eeuw begon de Delftse faience de Portugese exportfaience steeds sterker te beconcurreren. De faience werd dunner en verfijnder. Delftse werkplaatsen konden goedkoper produceren en beter inspelen op de smaak van de groeiende burgerij in Noord-Europa. Tegelijkertijd verschoof in Portugal de productie steeds meer naar eenvoudiger gebruiksaardewerk voor de binnenlandse markt, waardoor Portugal geleidelijk zijn leidende positie binnen het Europese tinglazuuraardewerk verloor.
Geraadpleegde literatuur
- Jaspers, N.L. & Baart, J.M. (2009). Schoon en werkelijk aangenaam. Portugese faience in Nederland. Vormen uit Vuur, 216 (2009/1), 2–21.
- Roque, M. (red.). (2018). Lisboa na origem da chinoiserie: A faiança portuguesa do século XVII, colecção Mário Roque. São Roque Antiguidades & Galeria de Arte.
- Faiança Portuguesa 1600–1700. ISBN 90-71361-03-9.
- Portugese museum- en collectiepublicaties over faience uit Lissabon en Coimbra.
- Literatuur over Chinees Wanli- en kraakporselein en de handelscontacten tussen Portugal en de Republiek in de zeventiende eeuw.
Verantwoording
De teksten op deze website zijn samengesteld op basis van archeologische publicaties over Portugese faience in Nederland, Portugese museum- en collectiepublicaties en literatuur over Chinees Wanli- en kraakporselein. Waar mogelijk zijn archeologische vondsten, historische handelscontacten en Portugese stijlontwikkelingen met elkaar vergeleken. Omdat over bepaalde onderwerpen — zoals verspreidingsroutes, datering van specifieke decoratiestijlen en de rol van particuliere handel — nog discussie bestaat, zijn sommige interpretaties bewust voorzichtig geformuleerd.
bbb