Geschiedenis Chinese borduurwerken
Verjaardagscadeau
Van kledingkast naar museum: hoe Chinees textiel in het Westen terechtkwam
In westerse musea en particuliere verzamelingen bevindt zich veel Chinees textiel. Dat varieert van kostbare hofgewaden tot eenvoudiger kleding, losse mouwbanden en kleine borduurfragmenten. Die voorwerpen bereikten het Westen langs verschillende wegen. Handel, geschenken en verzamelactiviteiten speelden een rol, maar ook financiële nood, oorlog en plundering.
Handel en belangstelling
Chinese zijde werd al eeuwen buiten China verhandeld. Sommige stoffen en borduurwerken werden speciaal voor buitenlandse kopers gemaakt. Andere waren bestemd voor gebruik in eigen land en kregen pas later een bestemming elders.
In de negentiende en vroege twintigste eeuw kochten buitenlandse reizigers, handelaren en verzamelaars Chinese kleding en textiel. Chinese tussenpersonen verbonden hen met plaatselijke markten en verkopers. Ook via kunsthandels en warenhuizen bereikten deze voorwerpen Europese en Noord-Amerikaanse kopers.
Die belangstelling sloot aan bij een langer bestaande fascinatie voor Chinese en andere Aziatische kunst. Verzamelaars bewonderden de kleuren, materialen en het verfijnde handwerk. In een tijd waarin steeds meer producten machinaal werden vervaardigd, kon juist het zichtbare vakmanschap aantrekkelijk zijn. Chinese voorwerpen in huis getuigden van een brede belangstelling en konden aanzien geven aan hun eigenaar. Daarbij speelden ook westerse, vaak geromantiseerde voorstellingen van China een rol.
Een deel van het textiel kreeg een heel andere toepassing dan waarvoor het was gemaakt. Geborduurde gewaden werden bijvoorbeeld verknipt tot tafellopers. Losse mouwbanden werden verwerkt in wandpanelen, onder glas in dienbladen geplaatst of gebruikt om westerse kleding te versieren. Een borduurwerk kon zo worden bewonderd als een zelfstandig beeld, los van het kledingstuk waarvan het ooit deel had uitgemaakt.
Wat ooit als kleding was gedragen, kon voor een nieuwe koper een souvenir, interieurversiering of verzamelobject worden. De belangstelling voor het borduurwerk droeg bij aan het behoud ervan. Wie het had gemaakt en gedragen, en bij welk kledingstuk het hoorde, werd echter vaak niet vastgelegd of raakte later uit beeld.
Nature's Symphony
Een man brengt een rand aan rond een zijden borduurwerk, circa 1933–1946. De foto laat zien hoe een geborduurd stuk van een rand werd voorzien.
Foto: Hedda Morrison, Harvard-Yenching Library. © President and Fellows of Harvard College. Bron: Historical Photographs of China, University of Bristol, Hv23-085. CC BY-NC-ND 4.0.
Veranderende mode en financiële nood
Rond de ondergang van de Qing-dynastie in 1911–1912 en de daaropvolgende onrust raakten sommige families inkomsten en hun maatschappelijke positie kwijt. Gewaden die verbonden waren met een ambt of het keizerlijke hof verloren geleidelijk een deel van hun oorspronkelijke functie. Kostbaar textiel bleef waardevol, maar werd niet meer vanzelfsprekend voor dezelfde gelegenheden gedragen.
Kleding was bovendien een bezit dat in geld kon worden omgezet. Wie geld nodig had, kon een gewaad bij een pandjeshuis als onderpand voor een lening geven. Lukte het niet om de lening en rente binnen de afgesproken termijn terug te betalen, dan kon het pandjeshuis de kleding verkopen. Via opkopers en tweedehandskledinghandelaren kwamen zulke stukken vervolgens opnieuw op de markt.
Tegelijk veranderde de mode. Voor kopers die kleding wilden dragen, telden een frisse uitstraling, een goede staat en een modieuze snit. Een arbeidsintensief geborduurd gewaad kon daardoor toch uit de gratie raken. Handelaren beoordeelden zulke kleding op materiaal, vakmanschap, conditie en verkoopbaarheid. Soms was het aantrekkelijker om de geborduurde delen afzonderlijk te verkopen of opnieuw te verwerken.
Buitenlandse verzamelaars bekeken dezelfde voorwerpen vaak met andere ogen. Gebruikte kleding kon juist aantrekkelijk zijn vanwege de ouderdom, het handwerk en de voorstellingen. Een losgemaakte mouwband werd bijvoorbeeld als decoratief paneel bewaard, terwijl een gewaad een plaats kreeg in een museumcollectie.
Dat was geen eenvoudige tegenstelling tussen ‘China’ en ‘het Westen’, maar een verschil tussen gebruik en verzameling. Chinese handelaren waardeerden eveneens goed vakmanschap, en westerse kopers stelden vuil of beschadigingen niet automatisch op prijs.
Mijn verjaardagskleedje heb ik (online) gekocht in Portland, Oregon (V.S.) Waarschijnlijk is het in gebruik geweest als loper op een kastje of tafeltje. Er heeft iets opgestaan wat een geelbruine vlek veroorzaakte. Een plant? Een theepotje? Helaas is de zijde precies op de plekken van de cirkel er flink door aangetast.
Oorlog en plundering
Ook oorlog en plundering droegen bij aan de verspreiding van Chinese bezittingen. In de negentiende eeuw verzwakten oorlogen, binnenlandse opstanden en economische problemen het Qing-rijk. Westerse mogendheden dwongen China tot verdragen die hun handelsvoordelen, toegang tot havens en bijzondere rechten gaven. Ook Japan breidde zijn invloed uit. Die buitenlandse inmenging riep steeds meer weerstand op.
De plundering van het keizerlijke zomerpaleis Yuanmingyuan door Britse en Franse troepen in 1860 was een ingrijpende gebeurtenis.
Een nieuwe golf van geweld en plundering volgde rond de Bokseropstand van 1899–1901. De zogeheten Boksers keerden zich tegen buitenlandse invloed en het christendom, dat zij daarmee verbonden. Hun aanvallen troffen buitenlanders, onder wie missionarissen, en Chinese christenen.
Toen in 1900 de buitenlandse gezantschapswijk in Peking werd belegerd, organiseerden acht mogendheden een militaire interventie: Groot-Brittannië, Frankrijk, Duitsland, Rusland, Oostenrijk-Hongarije, Italië, de Verenigde Staten en Japan. Samen vormden zij de Achtlandenalliantie. In augustus 1900 ontzetten geallieerde troepen de gezantschapswijk en bezetten zij Peking. Tijdens de bezetting vonden grootschalige plunderingen plaats. Niet alleen keizerlijke paleizen, particuliere huizen en winkels werden getroffen, maar ook tempels. Daarbij werden religieuze voorwerpen en andere kostbaarheden buitgemaakt. Tot de geplunderde goederen behoorden ook kleding en textiel.
Nature's Symphony
‘Emptying the Lama Temple at Peking’, 1900. Historische voorstelling van de plundering van een tempel in Peking. Collectie National Army Museum, Londen, NAM.2002-04-905-1. Klik op de afbeelding om de collectiepagina van het museum te bekijken.
De plundering bleef niet beperkt tot wat individuele soldaten meenamen. Militaire autoriteiten organiseerden ook het verzamelen, verkopen en verdelen van buit. Bij de Britten werden goederen op openbare veilingen aangeboden. Kopers betaalden ervoor, waarna de opbrengst via een militair buitfonds onder de troepen werd verdeeld. Zo konden militairen financieel profiteren van goederen die tijdens de bezetting waren afgenomen.
Een bericht in het Britse geïllustreerde weekblad The Graphic van 15 december 1900 beschrijft zo’n veiling in Peking. Onder de bezoekers waren mensen van verschillende nationaliteiten; Britse officieren behoorden volgens het bericht tot de belangrijkste kopers. Een aankoop op een officieel georganiseerde veiling kon daardoor een keurige transactie lijken, terwijl de aangeboden goederen uit plundering afkomstig waren.
Dergelijke verkopen hielpen buitgemaakte voorwerpen verder te verspreiden onder handelaren en verzamelaars. Hoeveel Chinees textiel in westerse collecties langs deze weg werd verworven, is echter niet vastgesteld. Zonder herkomstgegevens kunnen we een afzonderlijk borduurwerk daarom niet met plundering verbinden.
Een tweede leven als decoratie
Een kledingstuk dat niet meer werd gedragen, kon nog waardevol borduurwerk bevatten. Zoals we al zagen, kwam zulke kleding via pandjeshuizen en tweedehandskledinghandelaren opnieuw op de markt. Handelaren verkochten kledingstukken soms in hun geheel, maar haalden ze ook uiteen om de geborduurde delen afzonderlijk aan te bieden.
Niet alle fragmenten waren afkomstig van versleten kleding. Ook veranderde mode kon een reden zijn om een gewaad af te danken. Daarnaast waren er ongebruikte mouwbanden die nooit op kleding waren aangebracht. Losse borduursels konden vervolgens worden verwerkt tot wandpanelen, tafelversieringen en andere decoratieve voorwerpen voor nieuwe kopers.
Losse fragmenten werden van een achterzijde en sierranden voorzien. Soms werden meerdere geborduurde stukken tot één geheel samengevoegd. Daarbij konden verschillende materialen worden gecombineerd: effen stof, geweven banden of delen van ander borduurwerk. Wat nu één paneel vormt, kan dus bestaan uit onderdelen die oorspronkelijk niet bij elkaar hoorden. Het borduurwerk kan bovendien ouder zijn dan de omlijsting.
Het werk dat ik onlangs voor mijn verjaardag kreeg, is zo’n samengesteld geheel. Het fijne middenstuk is omgeven door smalle sierbanden, maar de brede buitenstroken bestaan uit een heel ander borduurwerk. Daarop staan figuren tussen bloemen en tuinelementen, uitgevoerd in grotere steken en krachtiger kleuren. Het verschil met de kleine, verfijnde motieven in het midden is opvallend. Mogelijk waren ook de buitenstroken oorspronkelijk mouwbanden. Wanneer de onderdelen zijn samengebracht en of ze ooit tot dezelfde kleding behoorden, is niet bekend.
Nature's Symphony
De belangstelling van buitenlandse kopers stimuleerde bovendien het maken van nieuwe decoratieve gebruiksvoorwerpen. In het Beijing van de jaren dertig werden bijvoorbeeld plaatselijke borduursters ingeschakeld om voorwerpen te maken die aansloten bij westerse smaak. Bestaand Chinees borduurwerk kon daarbij dienen als bron van motieven, en soms werden onderdelen opnieuw gebruikt. Tot de klanten behoorden ook buitenlanders die in China woonden: deze handel was dus niet uitsluitend op uitvoer gericht.
Zo kregen zowel nieuwe borduurwerken als oudere fragmenten een plaats in een ander interieur. Bij het hergebruik van oude stukken bleef het handwerk behouden of kreeg het een nieuwe functie, terwijl informatie over de oorspronkelijke makers en dragers vaak uit beeld raakte.
Wat als de borduurwerken in China waren gebleven?
Wat zou er met deze borduurwerken zijn gebeurd als ze China nooit hadden verlaten? Vooral textiel dat herinnerde aan het keizerlijke hof, religieuze gebruiken of rijke families had tijdens de Culturele Revolutie (1966–1976) gevaar kunnen lopen. Rode Gardisten bestreden de ‘Vier Ouden’: oude ideeën, cultuur, gewoonten en gebruiken. Kunstvoorwerpen en familiebezittingen werden in beslag genomen of vernield. Mogelijk zijn sommige borduurwerken door hun verblijf buiten China aan dit lot ontsnapt.
Toch was vernietiging niet onvermijdelijk. Ook onder het communistische bewind zetten mensen zich in voor erfgoedbehoud. Het Paleismuseum in de Verboden Stad werd in 1966 gesloten en kreeg vervolgens militaire bescherming. Keizerlijke voorwerpen konden zowel als symbolen van onderdrukking worden gezien als gewaardeerd om hun historische en artistieke betekenis.
Van een afzonderlijk borduurwerk weten we daarom niet wat ermee zou zijn gebeurd. Het had verloren kunnen gaan, maar ook in China bewaard kunnen blijven. Bovendien ging bewaring in het Westen soms gepaard met verlies: gewaden werden verknipt en informatie over makers en gebruikers raakte zoek.
Een voorwerp kan door zijn vertrek behouden zijn gebleven, terwijl de verwerving toch onrechtvaardig was. Mogelijke latere vernietiging rechtvaardigt geen eerdere plundering. Bewaring en rechtvaardige verwerving blijven twee verschillende vragen.
Nature's Symphony
Ruïnes van het Yuanmingyuan, het keizerlijke zomerpaleis bij Peking. Het complex werd in 1860 door Britse en Franse troepen geplunderd en vervolgens op Brits bevel in brand gestoken. De overblijfselen houden de herinnering aan die verwoesting levend.
Foto: Leiem, 2019, via Wikimedia Commons (CC0).
Een verleden dat nog niet voorbij is
De verspreiding van Chinese kunstschatten is geen afgesloten hoofdstuk. De plunderingen van het Yuanmingyuan in 1860 en tijdens de buitenlandse militaire interventie van 1900 raken nog steeds aan gevoelens van verlies en vernedering. Een voorwerp dat in een westers museum om zijn schoonheid wordt bewonderd, kan tegelijk een pijnlijke herinnering zijn aan buitenlandse overheersing.
Teruggave gaat daardoor over meer dan eigendom: ook erkenning van historisch onrecht en nationale waardigheid spelen mee. De Chinese overheid verbindt de terugkeer van erfgoed nadrukkelijk met het herstel van China als sterke natie. Kunstvoorwerpen kunnen zo diplomatieke spanningen oproepen, maar ook toenadering bevorderen.
Dat bleek bij de bronzen ratten- en konijnenkoppen uit het Yuanmingyuan. Hun aanbieding op een Parijse veiling in 2009 leidde tot fel Chinees protest. In 2013 keerden ze terug dankzij een schenking van de Franse familie Pinault: een particuliere overdracht met grote symbolische betekenis.
Chinese voorwerpen bereikten het Westen echter langs uiteenlopende wegen. Naast plundering droegen ook handel, schenkingen en verkoop uit nood bij aan hun verspreiding. Herkomstonderzoek is daarom essentieel. Teruggave blijft juridisch ingewikkeld: het UNESCO-verdrag van 1970 tegen illegale handel in cultuurgoederen werkt niet met terugwerkende kracht. Onderhandelingen en vrijwillige teruggave zijn belangrijke mogelijkheden.
Ook bij mijn borduurwerken hoort de vraag hoe ze hier terechtkwamen. Wie gebruikten ze en waarom werden ze verkocht of meegenomen? Hun schoonheid is zichtbaar; hun geschiedenis kennen we vaak maar gedeeltelijk. Ook die onzekerheid hoort bij het verhaal.
Bronnen en verder lezen
- Rachel Silberstein (2019). Other People’s Clothes: The Secondhand Clothes Dealer and the Western Art Collector in Early Twentieth-Century China.
- Helena Heroldová (2020). Sleevebands: Neglected Element in Chinese Adornment.
- Powerhouse Collection. Embroidered napkins used by Hedda Morrison.
- MIT, Visualizing Cultures. The Boxer Uprising — Occupation & Aftermath.
- Denise Y. Ho (2011). Revolutionizing Antiquity: The Shanghai Cultural Bureaucracy in the Cultural Revolution, 1966–1968.
- Patricia J. Yu (2026). Fragmented Bodies, Substitute Bodies: Zodiac Heads from the Garden of Perfect Brightness and the Translation of Cultural Heritage.
- UNESCO. UNESCO’s Role in the Restitution of Cultural Property.






