De weg naar het steengoed
Badorf-aardewerk (ca. 750–900 n. Chr.)
Na de val van het West-Romeinse Rijk verdween de grootschalige productie van verfijnd aardewerk uit onze streken. Eeuwenlang werd vooral eenvoudig, vaak handgevormd lokaal aardewerk vervaardigd. Pas vanaf de achtste eeuw ontstonden in het Rijnland opnieuw gespecialiseerde pottenbakkerscentra. Een van de belangrijkste lag bij Badorf, ten zuiden van Keulen.
Het aardewerk uit deze werkplaatsen werd in grote aantallen vervaardigd en via de Rijn naar handelsplaatsen in Noordwest-Europa vervoerd. Ook in Nederland wordt Badorf-aardewerk veel gevonden, onder meer in Dorestad, destijds het belangrijkste handelscentrum van de Lage Landen.
Een flinke stap vooruit
Vergeleken met het eenvoudige aardewerk uit de eeuwen daarvoor betekende Badorf een grote technische vooruitgang.
De potten werden vervaardigd van zorgvuldig geselecteerde, ijzerarme klei en volledig gevormd op een snel draaiende pottenbakkersschijf. Daardoor kregen zij een regelmatige vorm en relatief dunne, gelijkmatige wanden.
Ze werden gebakken in gespecialiseerde pottenbakkersovens bij temperaturen van ongeveer 900 tot 1000 °C. Daardoor waren zij harder en duurzamer dan veel ouder vroegmiddeleeuws aardewerk, al waren zij nog niet zo dicht gebakken als het latere steengoed.
Mijn scherf vertelt een verhaal
Wanneer je deze scherf tussen duim en wijsvinger wrijft, valt op hoe ruw het oppervlak aanvoelt, bijna als zeer fijn schuurpapier.
Die structuur is geen toeval. De pottenbakker mengde fijne zandkorrels door de klei. Deze zogenaamde magering maakte de klei steviger en verkleinde de kans dat de pot tijdens het drogen en bakken zou barsten. De zandkorrels zijn na ruim twaalf eeuwen nog altijd voelbaar.
Kijk je goed, dan zie je bovendien fijne horizontale lijntjes. Dit zijn de sporen van de snel draaiende pottenbakkersschijf waarop de pot werd gevormd.
Breukvlakken van Badorf-aardewerk laten vaak een opvallende grijze kern zien, terwijl de buitenkant juist licht crème- tot geelachtig van kleur is. Dat is het directe gevolg van het bakproces. Tijdens het bakken bereikte zuurstof vooral de buitenzijde van de pot. Het ijzer in de klei oxideerde daardoor en gaf de buitenkant haar lichte kleur. Dieper in de wand was minder zuurstof aanwezig, waardoor de kern grijs bleef. De ovens waren al opvallend geavanceerd, maar nog niet heet genoeg om de klei volledig te laten versinteren. Daardoor bleef de scherf enigszins poreus en licht korrelig.
Versierd met een radstempel
De decoratie op deze scherf bestaat uit horizontale banden met kleine, rechthoekige indrukken. Deze werden aangebracht met een radstempel: een klein gegraveerd stempelwieltje (van hout of bot) dat over de nog vochtige klei werd gerold terwijl de pot langzaam draaide op de schijf.
Met deze eenvoudige techniek kon een pottenbakker snel een doorlopende versiering aanbrengen. Radstempeldecoratie is een van de meest kenmerkende eigenschappen van Badorf-aardewerk.
Praktisch ontworpen
Ook de vorm van de rand is niet toevallig. De schuin uitstaande lip maakte het gemakkelijker om uit de pot te schenken zonder dat de vloeistof langs de buitenwand liep. Waarschijnlijk kon bovendien een doek of leren lap over de opening worden gespannen en met een touw onder de rand worden vastgebonden. Zo bleef de inhoud beter beschermd tijdens opslag of vervoer.
Badorf-aardewerk werd gebruikt voor het bewaren, vervoeren en schenken van water, wijn en andere vloeistoffen, maar ook voor droge levensmiddelen zoals graan en peulvruchten. Door de relatief poreuze wand was het minder geschikt voor langdurige opslag dan het latere steengoed, maar voor het dagelijkse gebruik voldeed het uitstekend.
Handel over de Rijn
Badorf-aardewerk was een belangrijk handelsproduct. Via de Rijn bereikten de potten niet alleen de Lage Landen, maar ook Engeland, Scandinavië en andere delen van Noordwest-Europa. Vooral de handelsstad Dorestad speelde daarbij een belangrijke rol. Een groot deel van het daar opgegraven aardewerk is afkomstig uit de Badorf-werkplaatsen.
De verspreiding van dit aardewerk laat zien dat de handel zich na de onrustige eeuwen na de val van het Romeinse Rijk geleidelijk herstelde.
Op weg naar het steengoed
Badorf-aardewerk vormt een belangrijke schakel in de ontwikkeling van het Europese keramiek.
De pottenbakkers beheersten de draaischijf steeds beter, verbeterden hun ovens en kregen steeds meer controle over het bakproces. Rond het jaar 900 ontwikkelde zich hieruit het Pingsdorf-aardewerk, dat nog harder werd gebakken.
Waar deze scherf precies is gevonden, weet ik helaas niet. Ik zag hem op een foto van een grote doos vol scherven op Marktplaats. Tussen al die scherven herkende ik direct deze Badorfscherf. Omdat zo'n exemplaar nog ontbrak in mijn collectie, vroeg ik de verkoper of hij deze scherf voor mij uit de hoop wilde vissen. En zo kwam dit bijzondere fragment in mijn verzameling terecht.
Pingsdorf-aardewerk (ca. 900–1200 n.Chr.)
Na het Badorf-aardewerk bleven de pottenbakkers in het Rijnland hun techniek stap voor stap verbeteren. Rond het jaar 900 ontstond een nieuw type keramiek Dit Pingsdorf-aardewerk markeert een belangrijke stap op weg naar het latere Rijnlandse steengoed. De overgang verliep geleidelijk: niet door één grote uitvinding, maar door vele kleine verbeteringen in kleibewerking, ovenbouw en baktechniek.
Beter gebakken
De pottenbakkers kregen hun ovens steeds beter onder controle. Ze konden de temperatuur gelijkmatiger en iets hoger opvoeren dan bij het Badorf-aardewerk. Daardoor begon de klei sterker te versinteren: de kleideeltjes verbonden zich beter met elkaar, waardoor de scherf nog harder, dichter en minder poreus werd. Toch was Pingsdorf nog geen echt steengoed. Het aardewerk bleef enigszins poreus, maar was duidelijk sterker en duurzamer dan zijn voorganger.
De rode beschildering
Het opvallendste kenmerk van Pingsdorf-aardewerk is de roodbruine beschildering op de lichte scherf. Vóór het bakken bracht de pottenbakker met een penseel of met zijn vingers een ijzerhoudende sliblaag (engobe) aan. Zo ontstonden de karakteristieke, vrij geschilderde strepen, komma's en krullen die dit aardewerk zo herkenbaar maken. Tijdens het bakken kleurde deze slib roodbruin, soms met paarse of donkerbruine nuances.
Anders dan de vrij sobere radstempelversiering van Badorf gaf deze beschildering iedere kruik of kan een eigen karakter.
Betere vormen
Ook de vormen ontwikkelden zich verder. Kruiken en kannen werden slanker en regelmatiger van vorm, met gelijkmatigere wanddiktes en een betere balans. Bij sommige exemplaren komt een standring voor, soms licht vervormd of "geknepen". Zulke verbeteringen wijzen op een steeds grotere beheersing van de draaischijf en een verdergaande standaardisatie van de productie.
Groeiende handel
Pingsdorf-aardewerk werd vervaardigd in het Rijnland, ten zuiden van Keulen. Via de Rijn vonden kruiken en kannen hun weg naar grote delen van Noordwest-Europa. Ze werden gebruikt voor het bewaren, schenken en vervoeren van vloeistoffen en waren zowel praktisch gebruiksaardewerk als aantrekkelijk tafelgoed.
In opkomende handelssteden zoals Utrecht, Deventer en Tiel worden grote hoeveelheden Pingsdorf-aardewerk teruggevonden. De verspreiding van deze kruiken weerspiegelt de groei van een nieuwe middeleeuwse economie, waarin handel opnieuw een steeds belangrijkere rol ging spelen.
De laatste stap naar het steengoed
Pingsdorf-aardewerk vormt de ontbrekende schakel tussen het vroegmiddeleeuwse Badorf-aardewerk en het latere vrijwel waterdichte Rijnlandse steengoed.
Deze scherf is gevonden in de verdronken stad Reimerswaal.





